Beeldtaal / Images with words

“Net als fotografie is taal al lange tijd in mijn leven, b.v. in mijn werk als tekstschrijver. Machtig mooi vond en vind ik het om met de 26 letters van het alfabet te spelen, een boodschap over te brengen of een sfeer te creëren. Hoe kunnen beeld en taal bij elkaar komen? Dat ben ik nu aan het onderzoeken.”

Zo luidde de inleiding van de categorie ‘beeldtaal’, die ik vorig jaar heb toegevoegd. Deze zomer heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben eraan gaan staan: schrijven over wat, net als bij de foto’s, vanzelf aandient en daar een passend beeld bij maken. Hieronder de eerste stapjes, met dank aan schrijfcoach Ceciel Boudewijn van Labyrint, wandelen in woorden. Met haar mooie feedback, die ruimte laat voor eigen keuzes, daagt ze me uit mijn expressie te verfijnen. De beeldteksten staan ook op mijn auteurspagina op in het labyrint

De foto’s hebben ook andere woordkunstenaars geïnspireerd. Die zie je eveneens hieronder.   

Theater in het park

Het is zondagmiddag en heel Amersfoort gaat wandelen, nou ja, minstens de helft. De Kattenbroekers en Hooglanders, Amersfoorters uit de nieuwste en oudste wijk,  hangen met de benen buiten in park Schothorst. Op de grasmat die beide wijken scheidt -daar waren minstens zes voetbalvelden voor nodig- zie ik een man van een jaar of dertig met bal en een knulletje van een jaar of drie. Vast vader en zoon.
Op zijn kleine beentjes draaft ukkie puffend achter vader aan. Het valt niet mee om die lange stelten bij te houden. Moeder is figurante. Ze staat op het nabijgelegen voetpad achter een kinderwagen.   
Vader laat de bal stuiteren op zijn voet. Nu komt het moment waarvan hij altijd al heeft gedroomd: voetballen met zijn zoon. Vader gaat tegenover zijn zoon staan. Hij trapt de bal recht vooruit. Hoera! Zoon neemt de bal aan. Vader begint al bijna te juichen.
Zoonlief is druk met de bal. Hij trapt tegen de bal, dribbelt erachteraan, struikelt over zijn eigen schoenen en laat de bal alweer verder stuiteren nog voordat moeder hem kan troosten. Af en toe kijkt hij achterom. Is vader er nog? Kijkt hij wel? Ja. Dan is het goed. Dan kan hij verder spelen. 
De bal belandt in de bosjes. Vader gaat ‘m halen en probeert nog een keer of zoonlief de bal naar hem wil terugspelen. Weer is het voor ukkie veel spannender om lukraak tegen de bal te trappen. Na een paar pogingen geeft vader het op.
Al die tijd staart moeder achter de kinderwagen bewegingsloos in de verte. 

 

Het huis aan de overkant                                

 Het huis aan de overkant staat leeg. Al een paar weken. Toen ik hier net woonde, heb ik kennis gemaakt met de overbuurvrouw. Ze is begin 90, het dunne grijze haar strak in de krul. Het gesprek komt niet goed op gang, ook al doen we alle twee ons best. Ze verstaat me slecht. Nieuwe mensen, dat hoeft voor haar niet meer zo. Ze is vol van de kale plekken die de velen die zijn heengegaan, hebben achtergelaten.

Een half jaar later wordt overbuurbuurvrouw ziek. Haar drie dochters, de jongste midden 60, lopen steeds vaker in- en uit. Overdag, en dan ook ’s avonds. De dochters blijven slapen. Een paar weken later rijdt een ambulance voor. Op een brancard wordt overbuurvrouw naar buiten gedragen en meegenomen. De dochters houden nog een paar weken de bolvormige liguster strak in vorm.

Op een dag komt het drietal niet meer. Snel daarna staat er op zaterdag een gehuurde vrachtwagen voor de deur. Kleinkinderen dragen schemerlampen, deurmatten en ander spul naar buiten. Voorzichtig, alsof oma hen nog zal kapittelen als er een kras op komt. Als laatste verdwijnt voor het raam de vitrage met kanten rand.

Nu staat het huis leeg. Al een paar weken. Er zijn nog geen kijkers geweest. Alleen de zon gluurt nieuwsgierig naar binnen.

Storm

Het is druk in de stad
Genadeloos raast de wind
langs auto’s, haalt ze in, laat ze schudden.
Mensen snellen voorbij, verwaaide
haren, wapperende jassen, blik op oneindig.

Het terras aan de Stadsring is

bijna leeg. Ook hier heerst het bemoeizuchtig
waaien. Ik krijg er ’t chagrijn van,  
mep ‘t weg met mijn handen, maai, sla  
tevergeefs.

In mijn hoofd speelt de Razende Roeland
tikkertje met de klemmende vragen
over mijn kwetsbare gezondheid en een
weerstand als een vergiet met grote gaten.
Wat nu?

Zal ik toch maar naar huis gaan?
Naar de warme omhelzing zodra
de voordeur open zwaait?
Gaat de storm dan liggen?
Of zwelt ie daar alleen maar aan?   

Woensdag

Zwiepie springt op bed. Grote smekende ogen.  
Ik aai, sta op, geef voer.  

Zeg ja tegen ’n kat als je oud bent
aaien, bukken, voeren. Moet
ik ja zeggen als jonge oudere?

Zwiepie springt op bed.

Beeld en Taal (BT3) - Heleen van Tilburg